MAW nieuws

Fundament en hoeksteen

De bouwkunst heeft door de eeuwen heen onze taal verrijkt met aan de bouw ontleende metaforen als ‘fundament’ en ‘hoeksteen’. Het zijn bekende termen. Maar wat zit er precies achter?

Bijbelse beelden van huizenbouw

Meindert Dijkstra

Kennis van de materiële cultuur van de wereld van de Bijbel is onontbeerlijk om bijbelse metaforen te begrijpen die ontleend zijn aan dagelijkse dingen, zoals de bouw van een huis. In dit artikel worden enkele voorbeelden uitgewerkt.

‘Er is een tijd om af te breken en een tijd om te bouwen,’ zegt Prediker in zijn wijsgerige overwegingen, waarmee hij de wisselvalligheid van het menselijk bestaan heeft beschreven (Prediker 3:3). En zo is het. Het gemiddelde huis in Palestina had na de hete zomer, waarin er scheuren in de muren kwamen, groot onderhoud nodig om de zware regens in het najaar en in de winter te kunnen doorstaan. Vaak werd na de eerste regenval, die de beraping (muurbedekking met kalk of leem) en de kleilaag op de daken weer zacht maakte, het dak opnieuw aangerold met een grote, zware rolsteen en de muren met een kleine roller. Beide voorwerpen zijn bij opgravingen teruggevonden (zie afbeelding 1). Zo’n kleine roller werkt eigenlijk op dezelfde manier als onze schuimplastic verfroller. In de Ugaritische legende van Aqhat, de zoon van de Kanaänitische koning Daniël, hoopt deze koning een zoon te krijgen die zijn dak op een regenachtige dag aanrolt.1

Woonhuis. © Ph.J. King & L.E. Stager, Life in Biblical Israel (Library of ancient Israel), Louisville/London 2001, III.15, 29.

Het vertalen van materiële termen

De bouw van huizen, tempels en paleizen in Palestina en het Oude Nabije Oosten heeft onze taal verrijkt met metaforen van bouwkundige zaken, zoals ‘fundament’, ‘muur’ en ‘hoeksteen’.
Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig, maar hoe goed zijn wij in het begrijpen van de functie van een fundament of hoeksteen in de wereld van de Bijbel? Doorgaans kunnen we ons wel een voorstelling maken van een fundament of hoeksteen, maar de vraag is of we dan het beeld voor ogen hebben dat hoort bij de materiële cultuur van de Bijbel. Bij nader inzien blijken bouwkundige termen en begrippen nog altijd problemen op te leveren in de vertaling. Dat zijn er meer dan alleen de fatnè, eertijds de ‘kribbe’ – Statenvertaling, NBG-vertaling 1951 (NBG 1951) – en nu de ‘voederbak’ – Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) 2004 – of de kataluma, voorheen de ‘herberg’, maar nu het ‘nachtverblijf’ (Lucas 2:7).
Hoe goed we ook ons best doen om zo accuraat mogelijk te vertalen, we worstelen nog steeds met onbekende of slecht begrepen architectonische termen zoals die gebruikt worden in de verschillende beschrijvingen van de tempelbouw. Maar zelfs de bouw van eenvoudige woonhuizen stelt ons soms nog voor raadsels die zich niet simpel door archeologische kennis laten oplossen. Hoewel archeologisch onderzoek van bouwresten ons al veel inzicht heeft verschaft in de oud-oosterse bouwtechnieken, lukt het toch niet altijd om wat we archeologisch waarnemen op één lijn te brengen met wat we in de Bijbel lezen.
Het vertalen en begrijpen van zulke bouwkundige termen en metaforen is voor bijbelvertalers een delicaat probleem, zeker als die vertalers zich bewust zijn van het feit dat ze een tekst vertalen die in een andere taal en cultuur dan de hunne tot stand is gekomen.
In deze bijdrage neem ik een aantal teksten onder de loep die gaan over het bouwen en repareren van huizen. Ik concentreer me op bekende teksten, zoals Psalm 118:22-23 (NBV):

22 De steen die de bouwers afkeurden
is een hoeksteen geworden.
23 Dit is het werk van de HEER,
een wonder in onze ogen.

Of de bekende gelijkenis uit de Bergrede (Matteüs 7:24-27, NBV):

24 Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots (epi tên petran). 25 Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en het huis van alle kanten belaagd werd, stortte het niet in, want het was gefundeerd op een rots (tethemeliôto epi tên petran).
26 En wie deze woorden van mij hoort en er niet naar handelt, kan vergeleken worden met een onnadenkend man, die zijn huis bouwde op zand (epi tên ammon). 27 Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en er van alle kanten op het huis werd ingebeukt, stortte het in en er bleef alleen een ruïne over.

Het standaard woonhuis in de bijbelse tijd

Wie enige kennis heeft van Palestijnse archeologie, met name van bewoningsresten van huizen en andere gebouwen, zoals magazijnen, weet dat bouwpatronen van een gemiddeld huis, zoals het alomtegenwoordige vierkamerhuis uit de IJzertijd, herkenbaar zijn aan de fundering van de muren. ‘Vierkamerhuis’ (four-room house) is eigenlijk een wat misleidende term, want feitelijk is er sprake van een langwerpig huis met twee of drie ruimtes of evenwijdige ‘schepen’ ervoor, die dwars op het eigenlijke huis staan (zie afbeelding 2). Eén van die twee of drie ruimtes is een hof, afgesloten met een buitendeur die de toegang vormt tot de andere ruimtes van het huis.

Vierkamerhuis. © C.H.J. de Geus, De Israëlitische stad (Palaestina antiqua 3), Kampen 1984, 67, fig.19.

Die ruimtes kunnen op zich ook weer een open (een soort waranda) of een gesloten vertrek zijn. Eén ervan functioneerde meestal ook als keuken en bakkerij met een broodoven (tannûr; taboen).
Er zijn nogal wat varianten in de opzet. Soms kon zo’n huis ook geheel of gedeeltelijk een tweede verdieping hebben, dat wil zeggen: een caliya bezitten. De ‘voorname vrouw’ van Sunem had een vertrek op het dak van haar huis laten bouwen voor de profeet Elisa (2 Koningen 4:10). De aanwezigheid van zo’n vertrek hing dus vermoedelijk af van de rijkdom en omvang van de familie die erin woonde.
Dit grondpatroon en het fundament van zo’n drie- of vierkamerhuis is vaak het duidelijkste archeologische spoor dat een huis in de tijd heeft achtergelaten (zie afbeelding 3). Minder bekend is dat zo’n ‘muur’ van onbehouwen steen, soms tot vier lagen dik, niet het restant is van een stenen muur, maar het fundament is waarop de eigenlijke (tichel)muur van het huis was opgetrokken, al of niet versterkt met een geraamte van hout.

Fundering. © C.H.J. de Geus, De Israëlitische stad (Palaestina antiqua 3), Kampen 1984, 69, fig 20.

Meestal worden van het houten frame alleen de brand- of verweringssporen teruggevonden. Onzeker is ook of het alleen om een enkele verstevigingsbalk ging tussen de steen en de tichelmuur, of dat er soms sprake was van een vakwerkconstructie. Had zo’n gewoon huis ook vensters? Gewoonlijk is er van de opbouw van ijzertijdhuizen te weinig bewaard gebleven om daar een zeker antwoord op te geven. Vermoedelijk hadden ook gewone huizen vensters, want er bestaat een woord voor, en er is vaak sprake van kijken uit vensters en zelfs ontsnappen via vensters (Jozua 2:15, 1 Samuel 19:12). Maar men krijgt de indruk dat zulke vensters hoog in de muur of in de ruimtes op de verdieping zaten.2
Uiteraard kwamen er ook huizen voor met volledig stenen muren van behouwen en onbehouwen steen of een combinatie daarvan, maar dit betreft meestal grotere, rijkere huizen uit latere tijd (onder andere Amos 5:11).

Een schokbestendig en stormbestendig huis

Een boerenhuis van een gezin op het platteland of een huis in een dorp of stad had meestal een fundament van rotsblokken en muren van klei- of tichelstenen, al dan niet versterkt met een houten of stenen raamwerk. Vaak waren ook de ingang en doorgangen in het huis voorzien van stenen deurposten, dorpels en lateien (bovendorpels). De muren en de daken werden bedekt met pleister of gewoon met modder, maar het fundament doorgaans niet.
De functie van het fundament van losse, meest onbehouwen blokken kalksteen, keien en dergelijke, met daarop een tichelmuur in een soort vakwerk was tweeërlei. De constructie was ten eerste redelijk schokbestendig, wat essentieel was in een omgeving als Palestina, die tektonisch onrustig is. Lichte aardschokken konden redelijk goed door deze constructie opgevangen worden. Een tweede, nog belangrijker functie was dat het fundament van los geordende steenblokken voor een goede afwatering zorgde in en om het huis. Dat was beslist een vereiste in de regentijd met zijn heftige regenstormen in het najaar en overstromingen van de wadi’s, om ondermijning van het huis te voorkomen.
Bij de bouw van een nieuw dorp of een nieuwe boerderij op maagdelijke rotsgrond moest eerst een volledig fundament worden aangelegd: een sleuf tot op de rotsbodem, die werd gevuld met brokken steen en keien. In de praktijk werden nieuwe huizen echter vaker gebouwd op oudere bewoningslagen van een tell of ruïneheuvel en kon men voor de fundamenten gebruikmaken van wat er al lag.

Een verstandig mens, zegt Jezus van Nazaret (zoon van Jozef, een tekton – een aannemer of eigenaar van een bouwbedrijf – meer dan alleen een timmerman!), bouwt zijn huis op steen, of beter gezegd: op een stenen fundament.
De gangbare vertaling van epi tên petran in Matteüs 7:24 van bouwen of funderen ‘op een/de rots’ kan een verkeerd beeld oproepen. In elk geval is het de vraag wat vertalingen bedoelen die spreken over een huis gebouwd ‘op een rots’ (NBV, Groot Nieuws Bijbel) of ‘op de rots’ (NBG 1951, Herziene Statenvertaling). Normaliter werden huizen nooit direct op een harde of zachte ondergrond gebouwd, maar altijd op een fundament. In de gelijkenis gaat het, gezien de regen, overstromingen en stormwinden, om bouw die schokbestendig is en een goede afwatering toelaat: op een stenen fundament dus.
De Griekse evangelist Lucas heeft – anders dan de Joodse Matteüs – zijn Griekssprekende lezers wat meer details verschaft bij het beeld van Jezus over tweeërlei fundament. In de paralleltekst (Lucas 6:47-49) spreekt Lucas expliciet eerst over het ‘diep graven’ van een funderingssleuf en dan het ‘leggen van een fundament’ (themelios) op de rotsbodem. Daar staat tegenover een huis dat wordt gebouwd ‘zonder fundament’ (chôris themeliou). De frase epi tên petran, ‘op de rotsbodem’, duidt in Lucas echter op de harde ondergrond waarop je een fundament van losse stenen legt om een stevig huis te kunnen bouwen. Wie verstandig is, graaft een sleuf tot op de harde ondergrond (epi tên petran), legt daarop een fundament (themelios), en bouwt daarop zijn huis. En wie niet verstandig is, graaft geen sleuf, legt geen fundament, maar bouwt onmiddellijk boven op de zanderige of lemen bovengrond.
Of Matteüs met epi tên petran precies hetzelfde wil zeggen als Lucas (‘op de rotsbodem’) valt niet met zekerheid te zeggen. Maar we mogen ervan uitgaan dat beiden voldoende kennis hebben van de Levantijnse bouwtechniek dat ze weten dat je een huis nooit meteen op de harde rotsbodem of een zandige, lemen ondergrond moet bouwen, want op beide zullen de regens het huis onmiddellijk ondermijnen. Matteüs spreekt in het algemeen van het funderen van een huis op steen of op de rotsbodem, Lucas noemt uitdrukkelijk het fundament als zelfstandig bouwelement gelegd op de rotsbodem. Het kan zijn dat Matteüs bedoelt wat Lucas expliciet zegt: dat er op die rotsgrond altijd eerst een fundament gelegd dient te worden. Dan kan zich echter voor de moderne lezer bij Matteüs een probleem voordoen voor het lezen van het wat dubbelzinnige epi tên petran, omdat hij geen ervaring heeft met de bouwwijze en architectuur van het oud-Israëlitische of Palestijnse huis.

Hoeksteen en fundament

De zogenaamde ‘hoeksteen’ is vandaag ook een veelgebruikte, bijna clichématige metafoor in het Nederlands. Het CDA presenteerde zich enige tijd geleden als de partij met ‘het gezin als de hoeksteen van de samenleving’, en ik las in een column van Ephimenco in Trouw dat openheid en transparantie de hoekstenen van goed openbaar bestuur zijn.3 Maar wat is een hoeksteen eigenlijk?
In de moderne architectuur is de hoeksteen of een stapeling van hoekstenen een versiering van een vaak monumentaal gebouw. In het verleden waren het vaker randen van een muur van een huis of kerk, die verder uit vakwerk, baksteen of brokken natuursteen was opgebouwd. Zo’n opbouw van dwars op elkaar gelegde of gemetselde hoekstenen bracht in zekere zin verband en steun aan in de muur.
De bron van de metafoor is waarschijnlijk de boven geciteerde tekst uit Psalm 118:22, die Jezus in de synoptische evangeliën na de gelijkenis van de pachters van de wijngaard citeert en op zichzelf betrekt (Marcus 12:10, Matteüs 21:42-44, Lucas 20:17-18). De messiaanse uitleg van deze psalm speelt ook elders in het Nieuwe Testament een rol (Handelingen 4:11, Efeziërs 2:20-22, 1 Petrus 2:6-7).

Uiteraard zijn er in de loop van de tijd nogal wat verschillende betekenissen en functies toegekend aan de ‘hoeksteen’. Er is gedacht aan het leggen van een soort eerste steen, die hoogte en richting van de huisbouw bepaalde. Voorts ook aan een topsteen (capstone) op de bovenste hoeken van de huismuur, die tegelijk een soort dakrand vormde. Vooral de sluitsteen van een gewelf of, nog vaker, de mooi bewerkte sluitsteen (keystone) van de stenen boog van een poortdoorgang is vaak als betekenis voorgesteld. De eerste twee suggesties zijn niet zo waarschijnlijk, en hoe aantrekkelijk het derde voorstel van de sluitsteen ook lijkt, het is twijfelachtig, omdat in het Oude Testament de hoeksteen nooit in verband met poortbouw of een poortdoorgang wordt genoemd. De hoeksteen wordt steeds genoemd in verband met de aanleg van het fundament van gebouwen. Dat is ook het geval in de profetie van Jesaja 28:16-17:

16 Maar dit zegt God, de HEER: ik leg in Sion een fundament
met een uitgelezen grondsteen, een kostbare hoeksteen.4
Wie zijn vertrouwen daarop grondvest
hoeft geen andere toevlucht te zoeken.
17 Ik zal het recht als meetlint hanteren
en gerechtigheid als schietlood.
De hagel vernietigt de schuilhoek van je bedrog,
het water spoelt jullie schuilplaats weg.

Het ligt voor de hand om aan te nemen dat de inspiratie voor de gelijkenis die Jezus in de Bergrede gebruikte, deels ook ontleend is aan dit metaforisch taalgebruik van Jesaja. Zeker als we de vertaling ‘archeologisch’ wat bijstellen:

16 Maar dit zegt God, de HEER: ik leg in Sion een fundament van steen
van beproefde steen, met een kostbare hoeksteen,
een fundament dat men vertrouwt zonder te moeten vluchten.5
17 Ik gebruik daarvoor6 recht als een meetlint
en gerechtigheid als een schietlood.
De hagelstorm vernietigt je bedrieglijke schuilplaats,
de wateren spoelen je schuilplaats weg.

Uiteraard grijpt de laatste uitspraak op ironische wijze terug op de absurde woorden van de leiders van Jeruzalem: ‘Wij houden ons schuil in bedrog en verbergen ons in leugens’ (Jesaja 28:15), maar dit verheelt niet dat ze op dat moment in een bedrieglijk gefundeerd Sion wonen. Een huis op losse grond dus eigenlijk, lijkt de profeet te suggereren in het vervolg.

Metaforen als ‘fundament’, ‘hoeksteen’ en dergelijke zijn doorgaans onderdeel van een groter complex van metaforen, waarbij je voor de betekenis ervan ook het verstaan van het geheel moet meewegen. Daardoor worden de dubbelzinnigheden van de tekst ook beter begrepen. Het bedrog van de leiders staat in verband met het bedrieglijke, wankele fundament van hun bestaan, een Sion op los zand gebouwd.
Bedrieglijk los zand in tegenstelling tot een fundament van steen, al of niet gelegd op een ondergrond van rotsgrond. Dat is in feite ook wat Jezus bedoelt te zeggen in de Bergrede. Wellicht zou dat beter begrepen worden als we zouden vertalen:

Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man die zijn huis bouwde op de rotsgrond. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en het huis van alle kanten belaagd werd, stortte het niet in, want het was gefundeerd op de rotsgrond.

Bouwkundig kan volgens Jesaja 28:16 een hoeksteen dus ook deel van zo’n fundament zijn. Dat lijkt ook bedoeld te zijn in de beschrijving van de schepping in Job 38:6: ‘Wie heeft haar sokkels verankerd, wie heeft haar hoeksteen gelegd?’7 Zo’n fundament kan bestaan uit zorgvuldig uitgezochte stenen die eveneens met zorg in een geschikt patroon zijn gelegd. Wie ooit muren zorgvuldig heeft opgegraven, merkt dat de bouwers vaak serieus hun best gedaan hebben om ze passend te leggen. Passend: aangepast aan hun ‘natuurlijke’ vormen en het oppervlak vullend, maar ook functioneel: stevig, maar tegelijkertijd flexibel om schokken op te vangen en vooral ook om waterdoorlatend te zijn. Fundamenten worden zorgvuldig gelegd, maar juist niet dichtgemetseld. In dat legproces van een fundament of een muur kan ineens een grote steen, waar je als bouwer even niets mee kon beginnen – een steen waaraan je je kunt stoten of waarover je struikelt (Jesaja 8:14, Psalm 91:12) – zich als een fraaie hoeksteen ontpoppen, die het hele bouwwerk ten goede komt en de nodige stevigheid en afwerking geeft.8 Een vondst die je zelfs als een godswonder kunt beschouwen.

Dr. M. Dijkstra is emeritus predikant in de PKN en gepensioneerd universitair docent Oude Testament en Godsdiensten en culturen van het Oude Nabije Oosten aan de Universiteit Utrecht.

Noten

1 Voor een aardige impressie van dit permanente onderhoud, zie Margreet L. Steiner & Bart Wagenmakers, We graven hier niet de Bijbel op! De Nederlandse opgraving Tell Deir Alla (1960-1967), Leiden 2018, 141-143.
2 Het beroep op de bekende voorstelling, meest uitgevoerd in ivoorsnijkunst, van de vrouw die uit het venster kijkt, is van betrekkelijke waarde in de discussie over het gemiddelde woonhuis. In deze voorstelling betreft het vensters of erkers van speciale vrouwen- en haremvertrekken in paleizen. Vensters dienden ook voor airconditioning en afvoer van rook en waren derhalve niet automatisch op kijkhoogte aangebracht.
3 Trouw, 17-5-2018.
4 Het type steen bochan is nogal omstreden. Vaak wordt het in verband gebracht met een Egyptische steensoort bḫn dat waarschijnlijk een type basaltsteen, een soort gneis of een andere harde steensoort is. Waarschijnlijk is het in het Semitisch (Hebreeuws, Aramees BCHN ‘beproeven’, ‘examineren’, ‘testen’) geen aanduiding van een speciale steensoort, een proefsteen of edelsteen, maar kan het wel steen beschrijven die zijn waarde in huizenbouw bewezen heeft, anders gezegd: beproefd is gebleken. Het voert echter te ver om hier in de exegese te veel symboliek aan te hechten, zie voor de literaire en materiële problemen van het woordgebruik hier W.A.M. Beuken, Jesaja 28-39, Herders Theologischer Kommentar zum Alten Testament, Freiburg/Basel/Wien 2010, 45, 77-78.
5 In NBG 1951 de beroemde zin: ‘Hij die gelooft, haast niet…’ Een zeldzaam werkwoord dat gewoonlijk betekent dat men iets haastig of met spoed doet, hier vermoedelijk vluchten of haastig vertrekken vanwege een naderende ramp.
6 Er staat bij het werkwoord weliswaar geen objectief suffix of prepositionele frase die direct refereert aan het voorgaande, maar er bestaat weinig twijfel in de exegese van deze passage dat gebruik van meetlint en schietlood ook betrekking heeft op het leggen van het nieuwe fundament van Sion!
7 NBV ‘sokkels’ is een verbetering ten opzichte van NBG 1951 ‘pijlers’. Vermoedelijk kan het woord ‘eden ook een woord zijn voor een stenen terras, podium of onderbouw, omsloten door een steunmuur die in de bodem is verzonken (vergelijk de zilveren voetstukken of sokkels in Exodus 26:19).
8 Wij vonden daarvan een mooi voorbeeld in de hoek van IJzertijd-I-muur W 16-W13 horend bij vloeren H-I in Tall Zar‘a (J. Dijkstra e.a., Tall Zar‘a in Jordan. Report on the sondage at Tall Zar‘a 2001-2002 [Gadara Region Project: Tall Zira’a] [BAR International Series 1980], Oxford 2009), 21-22, fig 2.11-12).