Maandag 26 juni: Jesaja 28:1-13

[28]1Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm;
bedwelmd door de wijn pronken zij met de stad
die de vruchtbare vallei bekroont,
maar hun prachtige sieraad is een bloem die verwelkt.
2Want de Heer beschikt over iemand,
sterk als een hevige hagelbui, als een wervelwind,
krachtig als een kolkende watermassa,
die met zijn machtige hand alles omver zal stoten.
3De trotse kroon van de dronkaards van Efraïm
zal worden vertrapt.
4Dit pronkstuk van de vruchtbare vallei,
dit prachtige sieraad, zal als een bloem verwelken,
verdwijnen als een vroege vijg,
vóór de oogst ontdekt en onmiddellijk opgegeten.
5Op die dag zal de HEER van de hemelse machten
de sierlijke kroon zijn, de prachtige krans
voor wie er van zijn volk nog over zijn;
6wie zetelt op de rechterstoel
zal hij met zuiver recht bezielen,
en heldenmoed schenkt hij aan hen
die de vijand uit de stad verdrijven.
 
7Maar zelfs priesters waggelen van de wijn,
profeten wankelen door de drank:
ze waggelen door de drank
en zijn verward door de wijn;
de drank doet hen wankelen,
waggelend hebben ze visioenen,
zwalkend doen ze hun uitspraken.
8Hun tafels zitten onder het braaksel,
geen plekje dat niet walgelijk besmeurd is.
9‘Wie tracht hij nu kennis bij te brengen?
Aan wie wil hij zijn boodschap kwijt?
Houdt hij ons soms voor zuigelingen,
nog maar net de moederborst ontwend?
10Hoor hem: “Tsav latsav, tsav latsav, kav lakav, kav lakav,
beetje van dit, beetje van dat.”’
11Inderdaad, door mensen met een vreemde tongval,
in een andere taal, spreekt de HEER tot dit volk.
12Ooit heeft hij tegen hen gezegd:
‘Hier is rust, hier vind je verpozing,
laat wie vermoeid is hier rusten.’
Maar ze weigerden naar hem te luisteren.
13Daarom horen zij nu van de HEER:
‘Tsav latsav, tsav latsav, kav lakav, kav lakav,
beetje van dit, beetje van dat.’
En zo gaan ze op weg, maar ze struikelen,
ze raken gewond, verstrikt, en worden gevangen.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Elke dag de bijbeltekst ontvangen? Volg ons op Twitter

Zondag 25 juni: Matteüs 10:24-33

24Een leerling staat niet boven zijn leermeester en een slaaf niet boven zijn heer. 25Een leerling moet er genoegen mee nemen te worden als zijn leermeester, en de slaaf als zijn heer. Als ze de heer des huizes al Beëlzebul genoemd hebben, waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten wel niet uitmaken? 26Wees dus niet bang voor hen. Want niets is verborgen dat niet onthuld zal worden en niets is geheim dat niet bekend zal worden. 27Wat ik jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken. 28Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de Gehenna. 29Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil. 30Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld. 31Wees dus niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen. 32Iedereen die mij zal erkennen bij de mensen, zal ook ik erkennen bij mijn Vader in de hemel. 33Maar wie mij verloochent bij de mensen, zal ook ik verloochenen bij mijn Vader in de hemel.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Zaterdag 24 juni: Johannes 3:22-36

Getuigenis van Johannes de Doper
22Daarna ging Jezus met zijn leerlingen naar Judea. Daar bleef hij enige tijd en hij doopte er. 23Johannes doopte toen ook, in Enon, dicht bij Salim, een waterrijk gebied. Daar kwamen de mensen naartoe om zich te laten dopen. 24Johannes was immers nog niet gevangengezet. 25Er ontstond een discussie tussen de leerlingen van Johannes en een Jood over het reinigingsritueel. 26Ze gingen naar Johannes en zeiden tegen hem: ‘Rabbi, de man die bij u aan de overkant van de Jordaan was, over wie u een getuigenis afgelegd hebt, is aan het dopen en iedereen gaat naar hem toe!’ 27Johannes antwoordde: ‘Een mens kan alleen ontvangen wat hem door de hemel gegeven wordt. 28Jullie kunnen van mij getuigen dat ik gezegd heb: “Ik ben de messias niet, maar ik ben voor hem uit gezonden.” 29De bruidegom krijgt de bruid; de vriend van de bruidegom staat te luisteren en is blij dat hij de stem van de bruidegom hoort. Dat vervult mij met grote vreugde. 30Hij moet groter worden en ik kleiner.
31Hij die van boven komt staat boven allen, wie uit de aarde voortkomt is aards en spreekt de taal van de aarde. Hij die uit de hemel komt en boven allen staat, 32getuigt van wat hij gezien en gehoord heeft, en toch wordt zijn getuigenis door niemand aanvaard. 33Wie zijn getuigenis wel aanvaardt, bevestigt daarmee dat God betrouwbaar is. 34Hij die door God gezonden is, spreekt de woorden van God, en God schenkt de Geest in overvloed. 35De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle macht aan hem overgedragen. 36Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten.’
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Vrijdag 23 juni: Matteüs 10:16-23

16Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif. 17Pas op voor de mensen, want ze zullen je voor het gerecht brengen en je geselen in hun synagogen. 18Jullie zullen omwille van mij worden voorgeleid aan gouverneurs en koningen, en een getuigenis moeten afleggen ten overstaan van hen en de heidenen. 19Wanneer ze je uitleveren, vraag je dan niet bezorgd af hoe je moet spreken of wat je moet zeggen. Want wat je moet zeggen, zal je op dat moment worden ingegeven. 20Jullie zijn het immers niet zelf die dan spreken, het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt. 21De ene broer zal de andere uitleveren om hem te laten doden, en vaders zullen hetzelfde doen met hun kinderen, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen laten terechtstellen. 22Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam; maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered. 23Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie: voor je in elke stad van Israël bent geweest, zal de Mensenzoon gekomen zijn.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Donderdag 22 juni: Matteüs 10:5-15

5Deze twaalf zond Jezus uit, en hij gaf hun de volgende instructies: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in en bezoek geen Samaritaanse stad. 6Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël. 7Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” 8Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven! 9Neem in je beurs geen gouden, zilveren of koperen munten mee, 10schaf je voor onderweg geen reistas aan, geen extra kleren, geen sandalen en geen stok, want een arbeider is het waard dat er in zijn onderhoud wordt voorzien. 11In elke stad en in elk dorp waar je komt, moet je uitzoeken wie het waard is je te ontvangen; blijf daar dan tot je weer verdergaat. 12Groet de bewoners van het huis dat je binnengaat. 13Laat jullie vrede over dat huis komen als het dat waard is, maar als het dat niet waard is, laat dan die vrede naar je terugkeren. 14En als ze je niet willen ontvangen noch naar je woorden willen luisteren, verlaat dan dat huis of die stad en schud het stof van je voeten. 15Ik verzeker jullie: de dag van het oordeel zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan voor die stad.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Woensdag 21 juni: Matteüs 9:35-10:4

35Jezus trok rond langs alle steden en dorpen, hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal. 36Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder. 37Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. 38Vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.’ [10]1Daarop riep hij zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen.
2Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, 3Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, 4en ten slotte Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die hem zou uitleveren.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Dinsdag 20 juni: Matteüs 9:27-34

27Toen Jezus van daar verderging, volgden hem twee blinden die luidkeels riepen: ‘Heb medelijden met ons, Zoon van David!’ 28En nadat hij een huis was binnengegaan, kwamen de blinden naar hem toe. Jezus vroeg hun: ‘Gelooft u dat ik dit kan doen?’ Ze antwoordden: ‘Zeker, Heer!’ 29Daarop raakte hij hun ogen aan en zei: ‘Zoals u gelooft, zo zal het ook gebeuren.’ 30En hun ogen gingen open. Jezus waarschuwde hen uitdrukkelijk: ‘Zorg ervoor dat niemand het te weten komt!’ 31Maar na hun vertrek verspreidden ze het nieuws over hem in de hele omgeving.
32Terwijl ze het huis weer verlieten, bracht men iemand bij hem die bezeten was en niet kon spreken. 33Nadat de demon was uitgedreven, begon de stomme te spreken. De mensenmassa stond versteld, men zei: ‘Zoiets hebben we in Israël nog nooit gezien!’ 34Maar de farizeeën zeiden: ‘Het is dankzij de vorst der demonen dat hij demonen kan uitdrijven.’
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Maandag 19 juni: Matteüs 9:18-26

18Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een leider van de synagoge naar hen toe die voor Jezus neerviel en zei: ‘Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom alstublieft en leg haar de hand op, dan zal ze weer leven.’ 19Jezus stond op en volgde hem met zijn leerlingen. 20Plotseling naderde hen van achteren een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. Ze raakte de zoom van zijn bovenkleed aan, 21want ze dacht: Als ik alleen zijn bovenkleed maar kan aanraken, zal ik al genezen worden. 22Jezus draaide zich om, en bij het zien van de vrouw zei hij: ‘Wees gerust, uw geloof heeft u gered.’ En vanaf dat moment was de vrouw genezen.
23Toen Jezus bij het huis van de leider van de synagoge aankwam en er de fluitspelers en de luid weeklagende menigte zag, 24zei hij: ‘Ga naar huis, het meisje is immers niet gestorven, ze slaapt.’ Men lachte smalend. 25Nadat iedereen was weggestuurd, ging hij naar binnen. Hij pakte het meisje bij de hand, en ze stond op. 26Het verhaal hierover verspreidde zich in de hele omgeving.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap